Immateriële schadevergoeding: onderworpen aan rechterlijke willekeur?

Share
Share on linkedin
Share on facebook
Share on google
Share on twitter
schadevergoeding-avg-rechter-1

In de media verschijnen regelmatig berichten over monsterboetes en lasten onder dwangsom die door de AP worden opgelegd aan organisaties die de verwerking van persoonsgegevens niet conform de AVG uitvoeren. Veel minder wordt geschreven over burgers die zelf naar de rechter zijn gestapt om langs die weg hun schade vergoed te krijgen. Burgers hebben op grond van artikel 82 AVG het recht op schadevergoeding. Wanneer zij materiële of immateriële schade lijden ten gevolge van een verwerking van persoonsgegevens die in strijd is met de AVG kan de verwerkingsverantwoordelijke of verwerker aangesproken worden om schadevergoeding te betalen.

In deze blog wordt een recente uitspraak van de rechtbank Rotterdam besproken waarin aan de verzoekster voor 2500 euro aan immateriële schadevergoeding is toegekend. Aan de hand van deze uitspraak zal duidelijk worden wat het relevante juridische kader is en op welke wijze de rechter de immateriële schade begroot.

Verwijdering van bijzondere persoonsgegevens

De verzoekster heeft in 2014 en 2017 de gemeente Rotterdam verzocht om medische gegevens – bijzondere persoonsgegevens – uit haar dossier te verwijderen. In eerste instantie besloot de gemeente om beide verzoeken af te wijzen. Later in 2018 heeft de gemeente toch het besluit uit 2017 ingetrokken en aan verzoekster medegedeeld dat alle medische gegevens worden verwijderd uit haar dossier.

Voor het onrechtmatig bewaren van de bijzondere persoonsgegevens eist de verzoekster een schadevergoeding van 25.000 euro.

In deze rechtszaak gaat het dus enkel om de vragen of er sprake is van immateriële schade en wat de hoogte van de schadevergoeding is. De onrechtmatigheid van de verwerking is namelijk al een vaststaand feit, aangezien de gemeente in 2018 uiteindelijk toch had besloten het verwijderingsverzoek van de verzoekster in te willigen.

Juridisch kader – wanneer is sprake van schade?

Om de rechtsvraag te beantwoorden of schadevergoeding wegens immateriële schade toegekend kan worden – in de zin van art. 82 AVG – moet de rechtbank rekening houden met overweging 146 van de considerans van de AVG. Daarin staat dat de verwerker of verwerkingsverantwoordelijke alle schade moet vergoeden die iemand kan lijden ten gevolge van een verwerking die inbreuk maakt op de AVG.

Voor een geslaagd beroep moet dus aannemelijk worden gemaakt dat iemand schade ‘kan lijden’, dus niet dat iemand feitelijk gezien schade ‘heeft geleden’. Dat komt doordat het begrip schade ruim moet worden uitgelegd in het licht van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) op een wijze die ten volle recht doet aan de doelstellingen van de AVG.

Op dit moment bestaat er nog geen uniforme Europeesrechtelijke invulling van het schadebegrip uit artikel 82 AVG. Er is namelijk nog geen jurisprudentie van het HvJEU waarin een specifieke invulling wordt gegeven aan het schadebegrip. Ook heeft het HvJEU nog geen uitleg gegeven over wat de vergoedbare immateriële schade is bij een onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens. Daarentegen volgt uit jurisprudentie van het HvJEU wel dat de te vergoeden schade reëel en aannemelijk moet zijn.

Nu er geen uniforme Europeesrechtelijke invulling is van het schadebegrip uit art. 82 AVG, is het nationale recht van belang voor de beantwoording van de vraag of de gestelde schade voor vergoeding in aanmerking komt. Er zal dus aansluiting worden gezocht bij het nationale civiele schadevergoedingsrecht.

Oordeel rechtbank Rotterdam

Om te beoordelen of verzoekster recht heeft op een schadevergoeding kijkt de rechtbank Rotterdam naar de regels hierover uit het Nederlandse Burgerlijk Wetboek. In dit geval is art. 6:106 lid 1 sub b BW van belang. Daarin staat dat een benadeelde – de verzoekster – recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding, indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.

De rechtbank oordeelt dat de verzoekster inderdaad immateriële schade heeft geleden en recht heeft op een schadevergoeding. Doordat de gemeente de bijzondere persoonsgegevens van de verzoekster heeft bewaard en verwerkt in de dossiers heeft de gemeente in strijd met de AVG gehandeld. Volgens de rechtbank vormt dit een inbreuk op het recht op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van verzoekster. De inbreuk wordt aangemerkt als een aantasting in de persoon zoals bedoeld in art. 6:106 lid 1 sub b BW en daarmee heeft verzoekster aanspraak op vergoeding van de immateriële schade.

Omvang schadevergoeding

Nu vaststaat dat er inderdaad een aanspraak bestaat op vergoeding van de geleden immateriële schade, moet de hoogte van de schadevergoeding bepaald worden. Hiervoor worden door de rechtbank een aantal feiten meegenomen in de afweging.

Allereerst het feit dat de bijzondere persoonsgegevens ongeveer tien jaar lang zijn bewaard door de gemeente, ondanks meerdere verwijderingsverzoeken van verzoekster. Vervolgens stelt de rechtbank dat het voldoende aannemelijk is dat in die periode de persoonsgegevens zijn verwerkt en dat meerdere instanties en/of personen hiervan kennis konden nemen, zonder dat zij daartoe gerechtigd waren. Op basis hiervan heeft verzoekster immateriële schade geleden.

De rechtbank begroot de schade op ‘slechts’ 2.500 euro en niet op de door verzoekster geëiste 25.000 euro. De begroting van de schade heeft de rechtbank gebaseerd op een eerdere uitspraak waarin 500 euro werd toegekend voor een kortdurende onrechtmatige verwerking van medische gegevens. In het kort ging het er in die zaak om dat de directeur van het Pieter Baan Centrum eenmalig stukken met medische gegevens heeft verstrekt aan het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg in Zwolle, zonder toestemming van de betrokkene.

Mijns inziens is de rechtbank Rotterdam toch best royaal geweest in het bepalen van de hoogte van de schade. Dit aangezien de hoogte van de schade is gebaseerd op een aanname – namelijk op de grote kans dat in die tienjarige periode bijzondere persoonsgegevens zijn gedeeld met onbevoegde partijen. Het blijft toch een beetje vreemd dat de heersende leer is dat de vergoeding begroot wordt op basis van de aanname dat in een bepaald geval schade zou kunnen zijn geleden. Zolang er nog geen vaste Europese rechtspraak komt over de invulling van het schadebegrip en het bepalen van de hoogte van de immateriële schadevergoeding, zal dit een vaag leerstuk blijven waarbij aan de rechter veel vrije beslissingsruimte toekomt in het bepalen van de hoogte van de vergoeding.

Darinka Zarić

Darinka Zarić

Darinka Zarić is jurist bij The Privacy Factory. Nieuwe juridische vraagstukken die ontstaan in een gedigitaliseerde samenleving spreken haar enorm aan. Met name op het gebied van privacyrecht en de inzet van big data. Momenteel volgt zij aan de Vrije Universiteit Amsterdam de master Internet, intellectuele eigendom en ICT.

Volg onze publicaties

cookie

Wij gebruiken alleen functionele en analytische cookies om u een optimale gebruikerservaring te bieden op onze website. Onze cookies verzamelen geen persoonsgegevens. Meer informatie.