Wat weegt zwaarder? De vrijheid van meningsuiting of het recht op privéleven?

Share
Share on linkedin
Share on facebook
Share on google
Share on twitter

Om de vrijheid van meningsuiting en de informatievoorziening in de samenleving te waarborgen, zijn journalistieke uitingen van vrijwel alle AVG-regels vrijgesteld. Wanneer een betrokkene bezwaar heeft tegen een publicatie over zijn privéleven, kan deze wel een beroep doen op het recht op privéleven zoals vastgelegd in het EVRM. Welk recht zwaarder weegt met betrekking tot online publicaties – de vrijheid van meningsuiting of het recht op privéleven – wordt in deze blog besproken.

Waar de AVG voor de meeste organisaties strenge eisen stelt voor de verwerking van persoonsgegevens, en bijzondere rechten toekent aan de betrokkenen, gelden deze eisen niet wanneer het gaat om journalistieke uitingen.

Artikel 85 AVG verplicht lidstaten ertoe om in hun nationale wetgeving een exceptie op te nemen voor de verwerking van persoonsgegevens ten behoeve van academische, artistieke of literaire uitdrukkingsvormen én in het kader van journalistieke doeleinden. De basisbeginselen voor de verwerking van persoonsgegevens, zoals benoemd in artikel 5 AVG, gelden niet voor journalistieke uitingen. Ook geldt heel hoofdstuk 3 van de AVG – dat gaat over de rechten van de betrokkenen – niet.

De achterliggende gedachte hiervan is dat de vrijheid van meningsuiting en het recht op informatie belangrijke pijlers zijn in een democratische samenleving. De journalist is hierin een onmisbare schakel en mag niet beperkt worden in zijn werkzaamheden.

Dat de AVG grotendeels niet van toepassing is, betekent niet dat het privacyrecht van de betrokkene vervalt en de journalist volledig vrij is om over iedereen te publiceren wat hij of zij wil. Het recht op privéleven zoals beschreven in artikel 8 van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 7 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie blijft altijd gelden. Wanneer een persoon – meestal een bekendheid – niet tevreden is over een publicatie, omdat deze bijvoorbeeld de reputatie kan schaden, kan een beroep worden gedaan op het recht op de bescherming van de goede eer en naam. Dit is een uitvloeisel van het recht op privéleven.

In dit soort zaken draait alles om een belangenafweging tussen het recht op privacy van de betrokkene en de vrijheid van meningsuiting van de journalist. In deze blog zal dan ook allereerst worden ingegaan op factoren die relevant zijn voor de belangenafweging. Vervolgens zal ter verduidelijking een rechtszaak worden besproken.

Belangenafweging

Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft in de zaak Caroline von Hannover 1 & 2 een aantal factoren opgesomd die relevant zijn voor de belangenafweging. Het eerste en belangrijkste criterium is dat de publicatie een bijdrage moet leveren aan het publieke debat. Roddels en speculaties over iemands privéleven zullen eerder een inbreuk op het privacyrecht vormen dan berichtgeving die daadwerkelijk iets toevoegt aan de informatievoorziening.

Vervolgens wordt gekeken naar de mate van bekendheid van de persoon over wie de publicatie gaat. Het uitgangspunt is: Hoe bekender een persoon, hoe minder privacy hij heeft. Daarnaast wordt ook gekeken naar het gedrag van de betrokkene in het verleden. Is het iemand die zelf regelmatig publiciteit zoekt? Of is het iemand die liever niet al te veel loslaat over zijn of haar privéleven?

Tot slot moet de rechter nog beoordelen of de publicatie mogelijk negatieve gevolgen heeft voor de persoon over wie de publicatie gaat.

Online publicatie

Journalist Peter Olsthoorn heeft in 2016 een webboek gepubliceerd over telecombedrijf Pretium en de directeur van het bedrijf. Het telecombedrijf en de directeur zijn regelmatig negatief in het nieuws geweest. Dit heeft de journalist geïnspireerd om een ‘webboek’ te publiceren waarin de bedrijfsvoering van Pretium aan de kaak wordt gesteld.

De directeur had hier bezwaar tegen en stelde dat de publicatie onrechtmatig is. Vervolgens is hij naar de rechter gestapt. Hij stelt dat de wijze waarop de feiten worden gepresenteerd hem in een negatief daglicht zet en daarmee zijn reputatie schaadt. Daarnaast bevat het webboek ook informatie over het privéleven van de directeur. In het webboek staan namelijk een aantal passages over de zoons en echtgenote van de directeur. De directeur vorderde verwijdering van het gehele webboek.

De rechter heeft de eis van de directeur afgewezen. Een aantal feiten waren hiervoor doorslaggevend. Allereerst bevat het webboek geen onjuistheden en is het gebaseerd op een uitgebreid bronnenonderzoek. Daarnaast stelt de rechter dat publicatie van de informatie over de zoons en echtgenote van de directeur niet onrechtmatig is, omdat deze informatie door henzelf online is gezet en voor iedereen vindbaar is. In deze zaak weegt de vrijheid van meningsuiting van de journalist dus zwaarder dan het recht op privéleven van de directeur.

Interessant aan deze zaak is dat de rechter ook ingaat op de hypothetische situatie waarin de publicatie van de informatie over het gezin van de directeur wel onrechtmatig zou zijn. De rechter stelt dat zelfs in die situatie nog steeds de vrijheid van meningsuiting zwaarder zou wegen en het webboek niet verwijderd zou behoeven te worden. Dat komt doordat de onrechtmatige passages slechts een fractie van het gehele werk zijn. Het zou dus disproportioneel zijn om het gehele werk te verwijderen. Gelet op het feit dat het hier gaat om een webboek, is het mogelijk om de inbreuk op het privacyrecht ongedaan te maken door slechts de onrechtmatige passages te verwijderen.

Uit deze zaak blijkt dat wanneer informatie door iemand zelf online is gezet en voor iedereen openbaar toegankelijk is op bijvoorbeeld Facebook, een beroep op het privacyrecht niet snel zal slagen.

Wat verder interessant is aan deze zaak, is dat het hier om een webboek gaat. Hierdoor is het makkelijker om een redelijke balans te vinden tussen de vrijheid van meningsuiting en het recht op privéleven. Stel dat het in deze zaak om een fysiek boek ging en de rechter vond bepaalde passages onrechtmatig, dan moest hoogstwaarschijnlijk de hele uitgave van het boek uit de handel worden gehaald. Virtuele publicaties lenen zich – dankzij hun flexibele karakter – beter voor het leveren van maatwerk in rechtszaken waarin de rechter het privacybelang moet afwegen tegenover de vrijheid van meningsuiting.

Darinka Zarić

Darinka Zarić

Darinka Zarić is jurist bij The Privacy Factory. Nieuwe juridische vraagstukken die ontstaan in een gedigitaliseerde samenleving spreken haar enorm aan. Met name op het gebied van privacyrecht en de inzet van big data. Momenteel volgt zij aan de Vrije Universiteit Amsterdam de master Internet, intellectuele eigendom en ICT.

Volg onze publicaties

cookie

Wij gebruiken alleen functionele en analytische cookies om u een optimale gebruikerservaring te bieden op onze website. Onze cookies verzamelen geen persoonsgegevens. Meer informatie.